sma·ken
smaakte, h gesmaakt
1
nuttigen, proeven; genieten:
vreugde
~
2
een bep. smaak hebben:
dat smaakt naar meer
is heerlijk
3
een aangename smaak hebben:
dat smaakt
Home
Menukaart
Wijnkaart
Groepen
Catering
Onze producten
Het restaurant
Contact
Deze pagina is nog onder constructie